recensies 2003

 

 

Tweemaal Flip & een borsalino

(roman, Contact, 2003)

 

Kees 't Hart in De Groene Amsterdammer, 5 april 2004


Voordat ik het wist, was ik volkomen gewend aan de merkwaardige zinnen die Max Niematz ons in zijn roman Tweemaal Flip & een borsalino voorzet. Niet dat ze erg afwijken van wat men 'normaal' taalgebruik noemt. Ook sloegen ze me niet om de oren met knalharde metaforen of gewaagde woordvolgordes. Het eigenaardige is dat er niks mee aan de hand lijkt; ze brengen het verhaal wel degelijk steeds een stap verder, maar het gaat om de manier waarop dat gebeurt.
 Niematz is erin geslaagd zijn uitermate merkwaardige verhaal op zo'n laconieke, luchtige wijze te vertellen dat de vreemdheid ervan geheel aan het oog onttrokken raakte en ik het heel aannemelijk begon te vinden dat een PTT-beambte en zijn vriendin ergens in de jaren tachtig naar Borneo vertrekken om daar een voormalige schoolvriend te bezoeken. Maar vreemd blijft het. Waar andere schrijvers uitvoerig zouden uitpakken over de puberteit van een jonge held, compleet met ruziescenes met huisgenoten, slaagt Niematz erin alles in enkele geestige, ingehouden zinnen neer te zetten. "Waldo's zussen hadden bij hen thuis de beste kamer, de grote op de eerste verdieping. Vroeger sliep hij daar ook, tot op de dag dat hij onder de kraan in de bijkeuken een emmer zag staan waarin bloederige pannenlappen dreven. Nieuwsgierig als altijd liep hij naar zijn moeder, die achter in de tuin bezig was, en vroeg haar wat ze zouden eten die avond. Ze gaf geen antwoord, maar terug in de keuken zei ze ineens: 'Wat zou je ervan vinden om naar 't zolder te verhuizen, jongen?' Misschien ligt het aan mij, maar ik heb hierom geschaterd. Niet alleen om de terloopse en onzinnige verbanden die Niematz zijn held laat leggen tussen eten en tekenen van vrouwelijke vruchtbaarheid, maar ook omdat hij de evidente onnozelheid van zijn held niet expliciteert, maar haar feilloos demonstreert.
 Zo werkt Niematz in zijn hele roman. Hij heeft het over kolonialisme, het existentialisme, over vrijwilligerswerk in verre landen, over vriendschap en seksualiteit omdat zijn roman nu eenmaal speelt in de tijd dat deze dingen aktueel waren - vanaf de late jaren vijftig tot in de jaren tachtig. Maar hij geeft er geen oeverloze explicaties of zware terugblikken bij. Bij hem vind je hoogstens uitermate geestige rationalisaties en observaties die alles ineens op losse schroeven zetten. Max Niematz is een ware meester in de banalisering van hoogdravende praatjes, waarbij hij de tragische kanten van menselijke illusies niet uit het oog verliest. De manier waarop hij theorieen over seksualiteit weerlegt door de praktijk ervan ongegeneerd weer te geven, is meer dan geestig. Ontwikkelingshulp is bij Niematz een aaneenschakeling van misverstanden en verkeerde inschattingen over de ideeen van de plaatselijke bevolking. Zijn schets van een missiepost op Borneo is ongekend in de Nederlandse letteren en zijn weergave van pogingen van missiewerkers om ondanks alles in vreemde streken toch een Brabantse sfeer in stand te houden, is hartverscheurend.
 Bij hem geen zware debatten over de zin van geestelijke ontwikkeling van koppensnellers, maar wel puntige beschrijvingen van dwaaltochten door de jungle en van het doen en laten van paters in de jaren tachtig op Borneo, die de verpletterende verveling met ongein en onzinnige spelletjes proberen te bestrijden. Voor deze platvloersigheden heeft Niematz een feilloos en ontwapenend oog. Bij hem verdwijnt zo ongeveer elk maatschappelijk idealisme achter een wolk van huiselijke handelingen, en ieder menselijk handelen wordt ook direct aannemelijk omdat hij geneigd is de logica ervan net zo lang te kneden tot ze volkomen aanvaardbaar is. Menselijk handelen is bij Niematz altijd vanzelfsprekend. Natuurlijk is Niematz een moralist - welke schrijver is dat niet? Maar hij heeft een toon en een stijl gevonden die moralisme tot een must maken.


Elsbeth Etty in de NRC, 4 april 2003


'Drie Brabantse jongens leren elkaar eind jaren veertig kennen in de eerste klas van de lagere school en blijven gedurende hun jeugd en puberteit bevriend. Katholiek opgevoede jochies zijn het, die het voortdurend over 'ons pa' en 'ons ma' hebben en die we in de nieuwe roman van Max Niematz Tweemaal Flip & een borsalino volgen tot het onvermijdelijke moment dat vermeend of echt verraad de vriendschap opblaast. Wie verraadt wie en waarom? 
Niematz (1942), die we kennen van drie dichtbundels, de verhalenbundel Twee vreemden in een bootje (1995) en de romans Eilandvrees (1998) en Op de leegte (1999), geeft er in zijn proza blijk van niet veel op te hebben met het realisme. Hij experimenteert, onderzoekt een idee of gevoel en goochelt met filosofie, religie en fantasie. Bij voorkeur situeert hij zijn verhalen op eilanden of in afgesloten gemeenschappen waar hij als een soort antropoloog relaties tussen mensen onder de loep neemt.

Het eigenlijke thema wordt gevormd door de onderlinge verhouding en rivaliteiten tussen drie vrienden. Hoofdpersoon Waldo Kostbinder staat in een driehoeksrelatie met Flip Oerlemans en Jos Severijns. Waldo wil beide andere jongens eeuwig trouw blijven, ook als ze als pubers uit elkaar groeien. Maar hij verraadt de sullige anti-intellektuele Severijns door hem diens vriendinnetje Laurien af te snoepen.
 Flip Oerlemans, bezitter van een in Antwerpen gekochte tweedehands borsalino, is - hoewel schetsmatig neergezet - de interessantste figuur van het drietal. Als verwoed Sartriaan worstelt hij met existentiele vragen. Zijn vertrek naar Borneo is behalve een vlucht voor een burgerlijk bestaan en voor zijn verloofde Dorris die met hem wil trouwen, vooral ook een vlucht voor het leven. Uit zijn wanhopige brieven aan Waldo blijkt dat Oerlemans in den vreemde hard op weg is om krankzinnig te worden. Waarop Waldo besluit zijn vriend achterna te reizen om hem morele bijstand te verlenen. Laurien gaat mee.
 Wat volgt is een uitgesponnen verhaal over Waldo en Laurien die zich op Borneo opperbest vermaken, terwijl de alsmaar gekker wordende Oerlemans zich opmaakt voor een laatste vlucht: de jungle in om zich erdoor te laten verzwelgen. Ook bij Waldo slaat dan de tropenkolder toe: in het geniep broedt hij plannen uit om Oerlemans van de ondergang te redden, ten einde zelf niet aan onverschilligheid tenonder te gaan en zijn schuld jegens Severijns te vereffenen.


Tweemaal Flip & een borsalino is een originele poging om het schuld-en-boete-motief uit te werken. Er staan mooi geformuleerde passages in, speciaal die over de geestelijke onttakeling van de flippende Flip Oerlemans met zijn krankzinnig makende, niet te hanteren 'sartriaanse' ideeen over absolute vrijheid. Met al zijn als altijd suggestieve sfeertekeningen, beeldende stijl en aansprekende beschrijvingen slaagt Niematz er niet in echte wanhoop over te brengen, wat waarschijnlijk ook niet zijn bedoeling is. Hij lijkt er met deze geschiedenis van een stel geborneerde Brabo's op Borneo eerder op uit om te onderzoeken hoe men zich de wanhoop van het lijf houdt.

 

Mieske van Eck, in het Brabants Dagblad 28-05-03


De pijn van volwassen worden. Opgroeien in het na-oorlogse Brabant moet een mengeling van zorgeloosheid, veiligheid en bekrompenheid zijn geweest. Max Niematz schreef een grappige en ernstige roman over volwassen worden, die begint in Brabant en eindigt in de oerwouden van Borneo.

Drie vrienden groeien op in het Brabant van na de oorlog: Oerlemans, Severijns en Kostbinder. De laatste vertelt het verhaal, waardoor je van de andere twee slechts indrukken krijgt. Severijns is traag, lomp en lichtgeraakt, maar kan mooi zingen. Oerlemans is vitaal en cynisch en dweept met Sartre. Waldo Kostbinder trekt zijn eigen vaak merkwaardige conclusies over zijn vrienden en worstelt met begrippen als vriendschap en trouw.

Groot worden doet pijn, maar Max Niematz (Tilburg, 1942) schrijft er in Tweemaal Flip & een borsalino over met een lichtheid waarbij je kunt glimlachen of schateren. Hier geen roomse blijheid of zwaarmoedige beschouwingen over een katholieke jeugd in een beklemmende tijd, maar een beetje absurdistische vertelsels. De drie jongens van middelbare schoolleeftijd zweren elkaar eeuwige trouw, ondanks al hun verschillen en geschillen. Maar eeuwig duurt lang.

De trouw van de drie vrienden komt onder druk te staan als de meisjes Laurien en Dorris in hun leven komen, Laurien als vriendin van Severijns en Dorris als die van Oerlemans. Maar uiteindelijk gaat Waldo er met de hoofdprijs, Laurien, vandoor, wat hem een niet gering schuldgevoel bezorgt. Het belet hem niet zijn liefde voluit te genieten - anders dan Oerlemans, die uit vrees voor God, seks of verlies van vrijheid op de vlucht slaat voor Dorris. Naar Borneo trekt hij om in het 'oerlewoud' zijn verloofde te ontlopen. Zijn hoed laat hij achter.

In de missie bij de paters wordt Oerlemans 'direkteur' van een dorpsschooltje. Het bestaan daar is ook niet je dat, maar drank en drugs zorgen voor genoeg vergetelheid om het vol te houden. Hij draagt niet voor niets de voornaam Flip, want 'flippen' doet hij voortdurend.

Waldo reist Oerlemans met Laurien achterna om hem zijn Borsalino te brengen. En ook de afgewezen Dorris laat Oerlemans geen rust en gaat naar Borneo.

Waldo en Laurien baren in de missie veel opzien met hun zondige en sensuele leventje. Ondertussen worstelt Oerlemans met zijn bestaan. Waldo ziet het aan en besluit tot een offer voor zijn vriend. Dat offer is hem natuurlijk ook ingegeven door zijn schuldgevoel tegenover Severijns.

Tijdens de reis doen Waldo en zijn vriendin wijze levenslessen op over de macht van de natuur, maar die lijken wel van hen af te glijden. "River Baram is geen plek voor aangenaam verpozen. River Baram is dodelijke ernst... Maar wisten zij veel, Waldo en Laurien. Kinderen waren het, door en door verwende kleuters, onwetend van wat zij niet wilden weten." Uiteindelijk blijkt Waldo te laf om zijn offer te brengen. De steeds maar uitgestelde terugkeer naar Brabant wacht. De volwassenheid dreigt en lokt Waldo en Laurien.

Niematz schrijft op een oorspronkelijke en aanstekelijke wijze over een Brabant, waar aan de vooravond van de jaren zestig de normen en waarden al een beetje kreunen en kraken. Aardig is ook zijn beschrijving van het leven in de missie in Borneo, waar paters die elkaar moeten leren verdragen zich elk op zijn eigen wijze door het leven slaan. De grondgedachte in dit grappige en tegelijk ernstige boek blijft het onvermogen van mensen elkaar te begrijpen en te vertrouwen.

 

Lammert Voos, De Roskam (Twents weekblad)

Wat maakt Voskuil aantrekkelijk? Zijn archaisch taalgebruik? Dat taalgebruik zorgt er in Het Bureau immers voor dat er een accuraat tijdsbeeld neergezet wordt. En het typeert hoofdpersoon Maarten Koning.

Max Niematz doet in zijn boek Tweemaal Flip & een borsalino iets soortgelijks. De hoofdpersonen Waldo Kostbinder en zijn vrienden Severijns en Oerlemans bezigen een taal die doorspekt is met Brabantse woorden, zoals ons moeder en ons vader.

Niematz schetst een weergaloos beeld van de benepen jaren vijftig in een Brabantse stad en van de gebeurtenissen die leiden tot de apotheose in de oerwouden van Borneo. Hij neemt de tijd om zijn verhaal bijna achteloos te vertellen, wat niet wegneemt dat je snel opgezogen wordt door het boek. Wegleggen is er niet meer bij.

Het lijkt allemaal als los zand aan elkaar te hangen: plot, verhaallijn, de gebeurtenissen schijnen in eerste instantie niets met elkaar te maken te hebben.

Kostbinder leert zijn vrienden Severijns en Oerlemans kennen in de eerste klas van de lagere school. [Volgt samenvatting van het verhaal die besloten wordt met de woorden:] Het vervolg geef ik niet weg. Nu en dan lag ik echt dubbel om de droogkomische opmerkingen van Niematz. Dit is een waarlijk groots boek en verdient wat mij betreft het predikaat klassieker.

Overige reacties


Bij de redacties van een aantal regionale bladen vond het werk minder begrip. Een rancuneuze freelancer in het noorden des lands kwam woorden tekort om het boek met de grond gelijk te maken. Wim Vogel van het Haarlems Dagblad maakte zich zorgen over de vraag waar het duo Waldo en Laurien tijdens de tocht naar Borneo van leefde! Zo'n succes mocht Waldo's werk op de afdeling Geweigerde Pakketten van de PTT toch niet heten. Passages die voor Kees 't Hart in De Groene Amsterdammer 'ongekend in de Nederlandse letteren' zijn, vindt Vogel 'vermoeiende uitweidingen'. Wat de eerste 'hartverscheurend' noemt, is voor de tweede 'melig', en waar de een niets dan 'uitermate geestige rationalisaties' ziet, blijft de ander steken in 'een verbale brij'. Treurig te horen dat de vogelpest nu ook al tot Haarlem is doorgedrongen.

Daarentegen ontmoette het werk van de zijde van individuele lezers wel veel bijval. Wat anders te denken van ene meneer Van Kampen uit Hilversum, die de schrijver twee exemplaren van het boek ter ondertekening toestuurde met precies evenveel woorden: 'Prachtig! Prachtig!'

De kinderboekenschrijfster Anne Takens uit Arnhem schreef dat ze het boek in de voorjaarszon had zitten lezen en er vanbinnen steeds warmer van werd en vanbuiten steeds bruiner.

Een heer uit Breda liet weten: 'Voor mij is het een knalgoede roman, en met veel lachen. Hij leest zo vlot weg, dat ik er soms de rem op moest zetten, tot ik mezelf tegen het einde niet meer in de hand had en doorlas tot het onvermijdelijke einde.